Niets zo veranderlijk

Op een dag weet je het. Ik wil verhuizen. Misschien. Of gewoon eens rondkijken. Ook leuk. Oriënteren. Want je kunt wel heel fijn wonen maar als je nooit verder kijkt weet je ook niet of je ergens anders misschien nog fijner kunt wonen. Of zoiets.

Dus je belt je man. Die op dat moment net aan het werk is. En dus eigenlijk niet heel veel tijd heeft voor zaken die lager op de prioriteitenlijst staan dan, laten we zeggen, brand. Je vertelt hem dat je wilt verhuizen. Van alle redenen die hij had bedacht waarom je hem op zijn werk telefonisch zou lastig vallen was dit wellicht de allerlaatste. Als hij dit al had kunnen bedenken.

Even moet hij bijkomen. Maar hij herstelt zich snel. Uiteindelijk heeft hij al eens laten doorschemeren best eens verder te willen kijken dan de eigen achtertuin. Die overigens na een complete renovatie vorig jaar nu wel heel fijn is geworden. Vinden zij allebei. Maar wie weet wat je vindt in een andere achtertuin.

Er komt een lijstje op tafel. Een lijstje met wensen. Dat lijstje is eigenlijk helemaal niet zo lang.

Willen we weg uit Almere? Nee

Willen we een goede leefplek? Ja

Zowel binnen als buiten? Ja

Wellicht iets meer ruimte voor de kinderen? Ja

En een aparte werkplek voor de man? Ja, want dan is de woonkamer weer vooral woonkamer.

Met zo ongeveer deze lijst werd een start gemaakt met de zoektocht. Die begon op Almere Duin. Want duin klinkt als natuur en vakantie en mooi weer en fijn genieten. Duin bleek natuur en vakantie en, toen nog, mooi weer en fijn genieten. Dus binnen een week was duidelijk, er zou verhuisd worden en wel naar Almere Duin.

De kinderen werden geïnformeerd. Hun reactie: “Oh, ok” was al meer dan van pubers verwacht kon worden dus nog steeds geen hobbels op de ingezette weg naar duin.

Er kwam een afspraak met de projectontwikkelaar. Dat werd een heel leuk gesprek. En duin werd alleen maar leuker. Want een duingebied op loopafstand van strand, bos, de haven, de dijk en met een bestemmingsplan dat onder andere de ontwikkeling van een heuse strandboulevard bevat; wij konden niet wachten. Echter, het op dit moment in aanbouw zijnde ‘Zuiderduin’ bleek volledig verkocht of toch op zijn minst ‘onder optie’. Te laat dus.

Dan moet je verder met je lijstje. Maar wat nu? Want Duin was zo leuk. En zo natuur. En zo vakantie. En je leven lang vakantie, dat klinkt best lekker.

Een week later. Telefoon. Er is een duinhuis vrij gekomen. Hebben jullie nog interesse?

Nou en of!

En zo kan het gebeuren dat je de ene week bedenkt dat je heel misschien wel wilt verhuizen en de andere week jezelf al heel behoorlijk ziet zitten in die duinpan die je achtertuin heet, genietend van een leven lang vakantie. Over sommige dingen hoef je gewoon niet zo heel lang na te denken.

Of zoals de oudste puber het zo mooi verwoordde: “Zit ik straks de rest van mijn leven met mijn ouders in CenterParcs.” We houden het erop dat dit positief bedoeld is.

medium-duin_300dpi_rgb-1024x555

Een vorm van geluk

Een gewone dag kreeg een wel heel vreemde draai.
Het is vakantie, jongste heeft een vriendje te logeren.
Oudste wil graag opgehaald worden bij haar vriendje.
Ik maak lasagne en schuif deze in de oven. Bedenk er vast een goede wijn bij en zet de twee vriendjes voor een filmpje.
‘Ik ben zo terug, even je zus ophalen!’

De rotonde neem ik half. Althans, dat is de bedoeling.
Na het eerste kwart glijden mijn wielen weg op het wegdek.
Ik zie mijzelf op de middenberm afrijden en stuur bij.
Een beetje bijsturen geeft een vierdubbele correctie door aan de wielen, ik stuur terug.
Een grote paal doemt op, recht voor de voorruit.
Iets naar rechts wordt heel veel naar rechts.
Stuurbekrachtiging to the max en ik ben kansloos.
Weet niet meer wat te doen.
Ik rem. Of niet? Ik stuur. Of stuurt de auto voor mij?
Ik glibber en glij. Ik draai. En raak de kant.
Een verkeersbord breekt af als een lucifershoutje.
Dan voel ik hoe ik het laatste beetje controle verlies als ik op de kop in mijn gordels hang.
Dit is niet goed.
De auto neemt over.
De zijruit aan mijn kant spat in een miljoen stukjes uit elkaar.
De voorruit deukt in, scheurt op alle mogelijke manieren door maar blijft min of meer heel.
Ik sluit mijn ogen, bang voor al dat glas en geef mee met de volgende koprol.
Hoe lang gaat dit door voordat het stopt? Hoe hard rol ik door?
Het lijkt eindeloos maar dat is het niet.
Dan voel ik dat mijn auto rechtop staat, nog wat na wiebelt en blijft staan.
Er rennen mensen op mij af, 112 is gebeld, hoe gaat het, wie ben je, pak mijn hand en blijf vooral zitten.
Ik doe niets liever en kijk de man wiens hand ik vasthoud aan.
Hij belt mijn dochter, zegt dat ik haar niet kan komen halen.
Hij belt mijn vriendin, vraagt of zij bij de jongens wil blijven.
Iemand kruipt achter mij in de auto en houdt mijn nek stevig vast, dat is procedure mevrouw.
Iemand kruipt naast mij en vuurt vragen op mij af. Ik schud nee, knik ja, maar dat mag niet. Nek stilhouden, dat is procedure.
Iemand vraagt of hij tussen mijn benen mag, de motorkap moet open. Iets met de accu. Procedure ja.
De auto wordt gestut om verdere beweging te voorkomen. Allemaal onderdeel van.. Ik vind het een mooi draaiboek.
De airbag, is de airbag uit? Vastzetten voordat ie alsnog uitklapt, procedure.
Ambulancepersoneel vraagt of ik ergens pijn heb. Nee, het gaat wel. Geloof ik. Ik bibber vooral. Heel erg. En er zit overal glas.
Moet het dak eraf? Verschrikt kijk ik op. Nee, stamel ik, dat hoeft niet.
Sorry mevrouw, dat is procedure, als u ergens pijn heeft gaat het dak eraf en wordt u gestabiliseerd en uit de auto verwijderd. Ik heb geen pijn. Laat dat dus maar zitten.
Kan die deur open of moeten we ergens knippen?
Deur gaat open.
Draait u voorzichtig uw benen naar links. Kunt u uitstappen?
Ja. Ik blijk alleen niet te kunnen blijven staan op eigen kracht.
De brandweermannen die niet mochten knippen mogen mij wel ondersteunen in de richting van de ambulance.
Twee meter voor het gele gevaarte wordt mij gevraagd op de brancard te gaan liggen dan schuiven zij me in de auto. Procedure zeker? Yep.
Ik wordt uitvoerig onderzocht, krijg nog een verkorte vragenlijst te verwerken van mijnheer agent en wordt vervolgens door de ziekenbroeders naar huis gebracht.
Voor het eerst in mijn leven in een ambulance.
Ik heb geluk gehad.

IMG_1323.PNG

Geplaatst in just me. 1 Comment »

Tijdsbesteding

Er waren er al zoveel.
Steeds meer ervan kende ik nu ook persoonlijk.
En opeens ben ik er zelf eentje.
Een werkeloze.
Een werkzoekende.
(Gaat dit echt over mij?)

Ik zoek en ik vind.
Een leuke vacature.
Maar ja, zo’n brief hè? En o ja, een opsomming van je kwaliteiten is meestal ook nog wel gewenst. Een curriculum vitae.
Van de afgelopen 23 jaar dat ik werkzaam ben geweest.
(Ben ik echt al zo oud?)

Natuurlijk zijn er mensen die zo’n lijstje van zichzelf altijd paraat hebben.
Zo’n mens ben ik niet.
Maar ik scharrel wat bij elkaar en kom tot een mooi overzichtje.
Al zeg ik het zelf.
(Gaf ik mezelf nou net echt een compliment?)

De brief. Dat lukt me wel.
Wie ben ik en waarom reageer ik op deze vacature?
Ja duh.
Oké, ik leg het netjes uit.
Met het nodige enthousiasme.
Want enthousiasme werkt.
(Geloof ik dat echt?)

Niet ontevreden over het resultaat van mijn eerste officiële sollicitatie welke direct gepaard gaat met het onvermijdelijke ‘neem mij, neem mij-gevoel’ verstuur ik brief met CV.
En wacht.
Wachten is mijn middlename.
Ik kan dat.
(Als ik het maar vaak genoeg tegen mezelf zeg ga ik er nog in geloven ook)

En dan krijg ik post.
Met het logo waar ik op wachtte.

De brief bevat woorden als ‘helaas’ en ‘meer dan driehonderd reacties’ en nog meer dingen die ik niet eens meer lees.

Ik maakte mij geen illusies hoor.
En ik wist heus wel dat op deze veel te leuke baan meer mensen zouden reageren.
Maar driehonderd plus?!?
(Ik voorzie dat ik mijn pijlen ook op andere zaken moet gaan richten)

Mijn man bedenkt dat, nu ik toch hele dagen niks te doen heb, ik best voortaan zijn brood kan smeren.
Persoonlijk vind ik dat nogal een omschakeling.
(Zal je zien dat, zodra ik toegeef, ik ook het beleg moet gaan verzorgen)

Ik bedenk maar vast welke series ik allemaal ga kijken de komende tijd.
Ik denk dan aan ‘As the world turns’, ‘The bold and the beautiful’, ‘Goede tijden, slechte tijden’, allemaal van die eindeloze series die je na 15 jaar gemist te hebben weer naadloos op kunt pakken.
(Op ToDo list zetten dat die fijne jongen van Albert.nl nog even de sherry komt aanvullen)


Gelukkig heeft mijn dochter ook goede ideeën.
‘Mam, nu je geen werk hebt verveel je je misschien wat vaker en ik heb daarvoor de ultieme oplossing.’
Ze pakt mijn mobiel en met vaardige vingers doet ze daar dingen mee, mij ondertussen geruststellend dat er heus geen virus op komt, en geeft het met een grote grijns aan mij terug.
‘Zo, ik heb jouw naam en nummer toegevoegd aan je contacten dus nu kun je met jezelf whatsappen!’
(En anders kan ik altijd nog ergens op de wereld bomen gaan knuffelen)

Wachten

Roerige weken, dat waren het.
Weken waarin zoveel gebeurt en waarin ik geen letter op papier kreeg.

Woorden.
Ze waren er wel.
Ze tuimelden ordeloos door mijn hoofd.

Zoveel woorden. Nog meer informatie.
Maar je kunt niets.
Niets dan afwachten.
En dat deed ik.
Niet alleen. Niet in mijn eentje.
Maar ik deed het wel.
Want meer was er even niet.

Werken.
Dat deden we.
Met misschien nog meer inzet dan anders.
Nutteloos.
We wisten het eigenlijk wel.
Maar we deden net alsof.
Alsof het dan misschien toch niet zo was.
Maar het was wel zo.
Failliet.
Dat was het.

Een telefoontje.
Ik voel me niet zo goed.
Benauwd.
De dokter denkt dat het niet goed is.
De dokter denkt aan weer een traject in het ziekenhuis.
Het wachten is op meer informatie.
Wachten.
Dat deden we.
Want meer was er even niet.

Een nieuw telefoontje.
Weer mijn vader.
Ik kan nauwelijks nog horen wat hij zegt.
De dokter weet nu dat het niet goed is.
De dokter weet ook dat er geen traject meer is in het ziekenhuis.
Het is op.
Weinig woorden. Zoveel informatie.
En het enige dat je echt wilt weten vertellen ze je niet.
Hoe lang heb je nog?

Wachten. Leven. Samen. Alleen.
Het verandert niets.

Huishouden.
Ik kan er maar beter aan wennen.
Afleiding.
Met alles wat ik in mij heb.
Ik pak dit huis aan.
Want dat kan ik.
Daar heb ik wel zeggenschap over.
Dacht ik.
Het schiet in mijn rug.
Iets.
Wat dat is zeggen ze niet.
Woorden.
Het maakt niet uit.
Pijn.
Wachten.
Ik ben er goed in aan het worden.

2013.
Het was een roerig jaar.
Voor velen.
Ook een goed jaar.
Ik weet het zeker.
Maar op dat gebied zitten er wat gaten in mijn geheugen.

Moederziel

Ze had haar besluit genomen.
Nu was de tijd, ze moest dit doen.
Anders zou ze echt te oud zijn om de stap nog ooit te zetten.
Al die jaren waren geruisloos voorbij gegleden.
De beste jaren van haar leven ja.
Zomaar opeens. Als zand door haar vingers.

Ze keek eens naar haar kinderen.
Onder haar vleugels waren zij veilig groter gegroeid. Langzaam worstelden zij zich echter steeds meer los van haar. Ze merkte het aan kleine dingen.
Ze zijn toe aan een eigen leven dacht ze, met weemoed in haar hart.
En zoals dat gaat met kinderen nemen zij moeiteloos de ruimte die zij denken nodig te hebben.
Jarenlang had zij haar dagen gevuld met hún agenda.
Hadden zij een feestje dan bracht zij ze er heen.
Moesten zij sporten dan moedigde zij hen aan.
Waren ze gegroeid dan kocht zij nieuwe kleren.
Altijd was er wel iets en altijd gaf haar dat een excuus.
Om niet na te hoeven denken.
Om zich niet schuldig te voelen.
Om vooral maar geen keuze te hoeven maken.

Maar nu werd dat anders.
Nu trokken de kinderen meer en meer hun eigen plan.
Nu trokken de kinderen steeds minder aan haar.
Nu trokken de kinderen er zelf op uit.

En nu zou zij dat ook moeten doen.
Onder ogen zien wat het beste was.
Het beste voor haar.
Lang geleden al wist ze dat dit moment zou aanbreken. En nu het zover was was er twijfel.
Maar ze kon niet meer terug. Daarvoor was ze al te ver gekomen. Dat wist ze heel goed.

Ze probeerde zichzelf moed in te praten: Ze moest dit doen; de eerste stap is altijd het moeilijkst; na al die jaren koos ze eindelijk alleen maar voor zichzelf en dat mocht. Ja, dat mocht. En waarom ook niet?
Ze handelde puur in haar eigen belang.
Zachtjes sprak ze het eens hardop uit: ‘Mijn eigen belang.’
Dat voelde goed! Ze zei het nog eens en nog eens.
Haar leven zou voorgoed veranderen en het voelde goed!

Alleen… Hoe zou ze het de kinderen vertellen?
Die zouden er natuurlijk helemaal niets van begrijpen.
Al die jaren was ze er gewoon. Vanzelfsprekend. Tastbaar maar onzichtbaar. Belangeloos bereikbaar. Beschikbaar.
En nu, nu ging ze weg.

Vanavond zou ze het hen vertellen.
Ze oefende de zinnen in gedachten. Het beste was het om duidelijk te zeggen waar het op stond. Het afscheid niet te lang te maken. Dat zou het misschien alleen maar moeilijker maken. Kinderen zijn flexibel hield ze zichzelf voor. Ze zouden snel wennen aan de nieuwe situatie. En dan inzien dat ze het prima zouden redden.

Aan tafel sprak ze nergens over. Ja, ze vroeg hoe het op school geweest was en of er nog veel huiswerk gemaakt moest worden. Dat viel wel mee, zei de dochter. Morgen SO wiskunde, zei de zoon.

Tijdens het afruimen merkte de dochter opeens de weekendtas op bij de deur.
‘Van wie is die tas?, vroeg ze verbaasd.

Het schaamrood vloog haar op de kaken. Nu moest ze het wel vertellen. De keiharde confrontatie maar ze zou hem aangaan. Ze kon dit.

‘Tja, jongens, mama moet jullie iets vertellen. Beloof me dat je me even uit laat praten. Ik had jullie dit misschien al veel eerder moeten vertellen maar ik kon het niet. Het is alleen zo dat… Ik denk dat ik… Hé, dit heeft niets met jullie te maken, ik hou heel veel van jullie en dat zal nooit veranderen maar het is.. Ik heb…’

De woorden buitelden over elkaar en even wist ze niet meer wat ze wilde zeggen.
De kinderen keken haar bezorgd aan.
Zie je nu wel, dacht ze, ze zijn er helemaal niet klaar voor. Ze hebben me nog zo nodig. Wat dacht ik nou helemaal?
‘Maham, wat wil je nou eigenlijk zeggen?’

Ondertussen pakte dochter de weekendtas op en maakte hem open.
In rap tempo pakte ze de handdoek, een bidon en een paar splinternieuwe sportschoenen uit de tas. Op de bodem lag een pasje van de sportschool met daarop een foto van haar moeder.
‘Oh my God! Ga je echt naar de sportschool? Mijn moeder gaat naar de sportschool! Dat moet op mijn Facebook!’

Melkweg

Zoon is 7, zit in groep 4, slaat geregeld nog zijn 2 armpjes stevig om mijn nek en heeft met zijn huidige 136 centimeter vrij abrupt afstand genomen van het kleine ventje dat hij in mijn ogen nog altijd was.

Het laatste besef ik wanneer hij me op een dag vraagt of ik wist dat Washington in Amerika ligt. Hij zit achterop bij mij op de fiets. Ik voel zijn handje in de mijne en ben even in de war van deze vraag.
De kleutertijd is al even geleden afgesloten ja, maar de brug naar groot-kind is wat mij betreft nog lang niet geslagen. Ik lijk een afslag te hebben gemist.
‘Eh ja, dat weet ik’, antwoord ik, me afvragend hoe zijn gedachten opeens in Washington zijn beland.
‘Daar woonde een man’, vervolgt hij, ‘en die heette Martin.. Eh.. Luthor? Eh King!’ Ik val bijna van mijn fiets en vergeef de wat vreemde uitspraak onmiddellijk.
‘Ik noem hem wel even King en weet je, die had een droom en hij wilde dat iedereen gelijk was want vroeger waren blanke mensen de baas over zwarte mensen.’

In groep 4 krijgen ze nieuwsbegrip. Ik weet het weer.

Op een avond begint zoon tijdens het eten over Syrië. En over president eh…
‘Hoe heet die ook alweer pap? O ja, Assad. En Assad gooit met hele gemene bommen, alleen weten ze niet zeker of hij het wel echt gedaan heeft of eh…’
‘De boeven?’, vult papa behulpzaam aan.
‘Nou nee, de tegenpartij’, bedoelde zoon. Oh ja. Groot kind.

Prinsjesdag wordt ook uitgebreid besproken want behandeld in de klas.
Zoon blijkt leergierig en deelt deze nieuw verworven kennis graag met zijn papa en mama.

Op een middag heeft mama een idee. Ze heeft nog een leuke DVD voor kinderen over het bestaan van de mens. De DVD opent met het ontstaan van de Melkweg. Interessant vindt zoon. Hij heeft er wel eens van gehoord.
Geboeid kijkt hij naar de film en leert over De Mens. Over het menselijk lichaam, welke organen je hebt en wat ze voor je doen, hij ziet hoe apen evolueren tot mensen, hoe baby’s groeien in de buik van hun moeder, alles wordt spelenderwijs uitgelegd.

Kleine kinderen worden groot is een van de vele clichés en zo waar als een koe.
Vertederd kijk ik hem dan ook aan als hij de volgende ochtend naar buiten kijkt, ziet dat het licht is en vraagt: ‘Mama, die Melkweg, is die nu weg?

Meisje

‘Mam, ik moet echt een nieuwe jas hoor, het wordt hartstikke koud.’
Zo begon een zondag die eigenlijk bestemd was voor niets anders dan de tijd doden. De tijd doden op een manier die we te vaak aan ons voorbij laten gaan.
Omdat er iets leuks te doen is in de stad, omdat er afspraken gemaakt zijn, kortom, omdat de agenda zegt dat onze tijd voorbestemd is.
Maar niet deze zondag.
Deze zondag zouden we… tja… eh..
Er werden spellen tevoorschijn gehaald, films zouden we kijken en jongste kreeg een enorme drang om weer eens zijn Legotrein op te bouwen.
Wauw. Dat klinkt als een zondag zoals die volgens mij ooit bedoeld is.

Totdat puberdochter het tijd vond worden om haar bed uit te komen.
En besloot dat zij nu toch echt een winterjas moest hebben. De oude was ze letterlijk ontgroeid, dat hadden de papa en de mama heus wel opgemerkt.
En het lijkt erop dat de zomer bezig is aan een snelle vlucht voor de herfst.
Herfst. Met haar onstuimige buien en zonder het zonder-jas-naar-buiten.
Dus een winterjas. Nu. Op deze zondag die dus al een beetje werd gevuld met fijne vooruitzichten.

Maar he, zo’n treinbaan in elkaar knutselen is toch niets voor mij, dat lijkt me meer een vader en zoon dingetje.
En een dagje winkelen met mijn dochter klinkt eigenlijk ook zo gek nog niet.
Daarnaast moet ik er natuurlijk enorm blij mee zijn dat ze me met dit soort dingen mee wil hebben.
Mijn mening is belangrijk. Althans, dat wil ik nog graag geloven.

Ik stel voor, want alle tijd, om op de fiets naar de stad te gaan.
‘Prima,’ roept dochter, meegaand als ze soms kan zijn, ‘dan pak ik even mijn oortjes. Heb jij ook muziek op je telefoon dan kun jij daarnaar luisteren onderweg.’
‘Huh?’
‘Ja, je denkt toch niet dat ik hele eind naast jou ga fietsen zonder muziek?’
‘Oh, nou, we kunnen ook de auto pakken. Ik weet namelijk niet of ik fietsen met jou op deze manier nog net zo leuk vind.’

We parkeren de auto in de parkeergarage en stevenen af op de herrie die van het Schouwburgplein af klinkt.
De thriatlon blijkt ook vandaag nog bezig en het is gezellig druk. We staan op het punt waar het hardlopen naadloos overgaat in zwemmen.
Omdat we er verder allebei niet zo heel veel van begrijpen slenteren we op ons gemak naar het winkelcentrum.
Dochter heeft namelijk allang bedacht waar zij haar jas gaat kopen.
Haar favoriete winkel is dichtbij en hangt werkelijk vol met winterjassen.
We duiken erop af en ik trek diverse jassen uit het rek waarvan ik denk dat ze haar geweldig zouden staan.
Ze worden een voor een afgekeurd.
De een na de andere jas wordt gepast, leuk gevonden door mij, afgewezen door haar.
Ik herken een patroon en probeer iets nieuws. Ik wijs af, zij vindt leuk.
Op mijn gemak ga ik zitten in de etalage en zie haar paraderen voor de enorme spiegels.
Kieskeurig. Zeker en onzeker.
Tot ze besluit dat ze nog even verder wil kijken.

We hebben de tijd en ik geniet van haar enthousiasme.
Zij leidt en ik volg haar met interesse. Ze komt in winkels waar ik nog niet eerder was.
Opeens komt ze uit een pashokje in een, het moet gezegd, geweldige bikini.
‘Mam, ik moest ook nog een bikini en deze zijn nu zo afgeprijsd…’
Waar ik nog een vraag vermoed kijkt ze me slechts heel lief aan.
De bikini staat haar. En ik constateer dat ze verandert. En snel ook.

‘Nou vooruit, maar het eerstvolgende dat je koopt is een jas okee?’
Ik word het geslenter al wat zat, de besluiteloosheid van mijn dochter nog meer.
Totdat ze zelf ook niet meer weet waar we nu nog naar toe kunnen.
En ze voorstelt dat ze toch nog even naar die eerste…
We lopen terug naar de allereerste winkel waar ze zonder enige twijfel de perfecte winterjas uit het rek haalt.

Thuisgekomen laat ze trots haar aankopen aan haar vader zien.
De jas wordt aangetrokken en papa vindt hem mooi.
‘Leuk Fiep, staat je goed!’ is zijn enthousiaste reactie.
Dan wordt ook de bikini uitgebreid geshowd.
Bij de aanblik hiervan mompelt haar vader met iets van een hoorbaar dikke keel dat als ze hierin gaat zwemmen hij voortaan meegaat om een oogje in het zeil te houden.

Een meisje hard op weg om vrouw te worden.